We zijn niet gedoemd om ten onder te gaan: een pleidooi voor verbondenheid, solidariteit en liefde
Bosbranden in Frankrijk. Het apocalyptische toekomstbeeld bezwaart velen. Om het tij te keren is een diepgaande herbronning nodig., schrijven Jan Bossuyt en Hans Claus in dit opiniestuk dat De Morgen op 3 augustus 2026 publiceerde.
De wereld staat in lichterlaaie. De oorlogen die woeden en de bossen die in brand staan, schetsen een apocalyptisch toekomstbeeld, dat velen bezwaart. Met loutere weerbaarheid kunnen we het failliet van ons ecosysteem niet langer tegenhouden. Er rest de mensheid enkel een diepgaande herbronning wil ze haar hachje redden. We zijn met zijn allen toe aan een fundamenteel andere houding ten aanzien van het grotere geheel. Een houding die veel, zo niet alles, op zijn kop zet.
Een kleine groep mensen brak er zich in de woelige jaren 2017 tot 2019 al het hoofd over. Terrorisme en klimaatopwarming waren toen de hoofdingrediënten van een groeiend maatschappelijk onbehagen. Helaas staan we amper acht jaar verder een heel stuk dichter bij een cataclysme. Het wordt echt voelbaar.
Intensief overleg en studie brachten het groepje tot een schets in zes krijtlijnen die volgens hen het tij nog min of meer konden keren. Ze publiceerden daarop hun ‘Verklaring van 30 november’, die sindsdien wordt doorverteld en door een duizendtal individuen en organisaties werd onderschreven.
Elke brede verandering begint tenslotte met kleine groepen mensen die bijeenkomen om hun zorgen, angsten en dromen met elkaar te delen.
Niet gedoemd
De kern van het nieuwe narratief is het inzicht dat de mens, als hij zijn eigen houdbaarheidsdatum wil overschrijden, zich niet langer mag gedragen als een ordinaire bodemsoort die andere soorten overwoekert, koloniseert of uitroeit. Hoeveel soorten zijn aan blinde gulzigheid al niet ten onder gegaan?
We zijn echter niet gedoemd om hetzelfde lot te ondergaan. De mens kan in zijn ontwikkeling vertrekken vanuit het besef dat hij bestaat bij gratie van andere organismen. Noem het een narratief van verbondenheid, solidariteit en liefde.
Misschien kunnen we onze menselijke soort bekijken als een halffabricaat, begiftigd met een groot vermogen tot zelfreflectie en intellectuele creativiteit, dat evenwel tekortschiet als het aankomt op verantwoordelijkheidszin tegenover de anderen, de samenleving en de planeet. Daardoor zijn wij de leerling-tovenaar geworden die zijn gaven misbruikt heeft ten voordele van het eigen zelf. Dat hoeft echter niet zo te blijven.
Ander soort economie
In de vertaling naar de praktijk klinkt de boodschap van 30 november wat minder wollig, maar niet minder hoopvol.
De Verklaring roept op tot een ander soort economie. Een duurzame economie is meer dan het omschakelen op niet-fossiele energie. Ze moet een vehikel van afspraken zijn die de productie en verdeling van aardse goederen dienstig maakt aan de manier waarop mensen zich tot elkaar en tot hun natuurlijke omgeving verhouden. De economie die loutere financiële groei als maatstaf neemt, bleek die verwachting niet in te lossen.
Vragen moeten dus worden gesteld bij het nut van de beursgang en bij het bestaan van het erfrecht. Beide mechanismen houden de omgekeerde logica in stand: mens en natuur die opgeofferd worden aan financiële groei.
Maar het gaat verder dan dat. Essentiële zaken als zorg, opvoeding, justitie, energie, landbouw en communicatie kunnen in die optiek niet langer met een boekhoudersmentaliteit in het keurslijf van het marktdenken gedwongen worden.
Onderwijs is het domein bij uitstek van de vrijheid. Daar moet de samenleving van nu kritisch worden onderzocht en de samenleving van morgen worden verbeeld. Als we onze jonge mensen niet toelaten om zich los te rukken uit patronen die verantwoordelijk zijn voor alle ellende, begaan we een majeure fout.
Faire verdeling
De overheid dient daarom ook niet ten dienste te staan van ondernemers die er prat op gaan de rijkdom te creëren. Haar hoofdopdracht is een faire verdeling van die rijkdom over alle mensen.
Enge definities van werk, productiviteit en vooruitgang dienen nog al te vaak om mensen ten dienste te stellen van een financiële logica die vervuilende industrie en overconsumptie in stand houdt. Wie zijn kind opvoedt, verricht evenwel even belangrijke, zo niet belangrijkere arbeid. Wie het portret van zijn naaste tekent, is een zingever van onschatbare waarde in een wereld waar het knokken is om erkenning.
Kortom, we komen uit de nakende neergang niet los wanneer we de geestelijke waarden niet hoger beginnen te achten dan de materiële welvaart. Het ingenieus jongleren met alle soorten grondstoffen blijkt in tegenstelling tot wat kapitalisme en communisme doen geloven, noch de sokkel, noch het einddoel van de mens. Het is de liefde voor elkaar en de liefde voor de grote ‘schepping’ die hem tot ‘superieur’ organisme maken. Dat heeft consequenties.
